La Festa
'Kinderen voor kinderen' had ineens een andere betekenis. Er waren er wel zes. Amper zestien jaar oud, schatte ik, en al achter de kinderwagen. Meisjes van amper veertien met hun oudere lovers. Kussend in de donkere hoekjes van de torre maar ook, later op de avond, midden op de piazza. Zij zullen, als het meezit (of tegen voor de realisten) volgend jaar of het jaar daarna hun kroost voortduwen. Gelukkig is er altijd la nonna.
Mooie vrouwen maar veelal niet zo mooie. Mannen en jongens, moeders en oma's. Van alle leeftijden waren ze uit de gehuchten en eenzame boerderijen uit de omgeving gekomen voor het jaarlijkse feest. Het was een bonte stoet die, ik zat op de trappen van de kerk, aan mij voorbij trok. Jeroen Bosch was er niks bij. Dikke, dunne, blonde, gitzwarte en grijze hoofden. Familes, gezinnen, vrienden en stellen. Ouderen en jongelui, allen op chique. Daartussen de kinderen met ballonnen. Bekenden die elkaar groetten. Narren op stelten. De dorpsgekken die de avond van het jaar hadden en serieus genomen werden.
Het feest, Bancarel'vino, was weer in z'n oude glorie hersteld sinds de burgemeester het vorig jaar uit handen gegeven had aan Slow Food. Die maakten er een besloten feestje voor hun leden uit Milaan en Rome van en iedereen uit de regio was voor niets naar ons dorp gekomen.
Daarna hadden de bewoners de giunta ter verantwoording geroepen en het was er hectisch aan toe gegaan. De burgemeester en zijn loco moesten diep door het stof. Ik was er ook. Nieuwsgierig naar hoe het er aan toe zou gaan.
Ze hadden woord gehouden. Dit jaar was een feest als van ouds met de prijsuitreikingen voor 'beste wijn' en 'beste wijnboek'. Met toespraken en sjerpen. Met wijnproeverijen en eten. Met muziek en dansen. Bellenblazen en poppenkast voor de bimbi. Gelukkig waren alle omwonenden weer naar hun capoluogo gekomen.
Ik keek naar de lange, jonge benen onder de hotpants. Nog zo gaaf en mooi, vormeloos door hun jeugd. Elke keer als zo'n meisje voorbijliep zag ik die benen in amazonezit achter op een motor, slalommend met honderdvijftig tussen de auto's op de statale .
V-maxen met nog geen 100 gram textiel op je lijf. Iedereen kent wel iemand die zijn tijd in een rolstoel of instituut moet uitzitten. Zelfs de vrouw van de vigile scheurt op haar motorscooter over de weg met de wind door haar haren, ja oksel en hoofd.
Italië is als spiegel waarin je enkel schoonheid ziet maar waarin het mooie meisjesgezicht soms ineens in dat van een rimpelige oude, tandenloze heks verandert.
Het is feest en iedereen is blij, danst en drinkt. De dorpsdienders drinken hun bier in uniform bij de nieuwe kroeg van hun collega. En dan, alsof een in het water dansende octopus door een harpoenschot geraakt wordt, maakt een knallend vuurwerk een einde aan het leven van de Bancarel'vino. De piazza's lopen leeg. De tentakels in de straatjes waar de locale specialiteiten verkocht worden trillen nog na door vertrekkende gasten die nog snel een kaasje of wat worst kopen. Het feest is dood.
Als ik naar huis wandel is het stil. Alle mensen zijn vertrokken. Ik heb mijn dorp weer terug.